Onze ambitie is om altijd te gaan voor het best haalbare resultaat in onze behandelingen waarbij onze specialisatie teams altijd de best mogelijke kennis inzetten om een behandeling op maat te laten slagen. Wij zijn gespecialiseerde logopedisten die kennis en klinische blik met elkaar delen in de volgende gespecialiseerde teams:

Ons pre- en vroegverbaal team bestaat uit:

  •  Sijtha Dunnink – van der Molen (preverbaal logopedist) 
  •  Laura Kamphuis (preverbaal logopedist in opleiding) 
  •  Mathilde van Vugt – Lankman (vroegverbaal logopedist)

Informatie preverbale logopedie:

Preverbale logopedie is gericht op de behandeling van (zeer) jonge kinderen met problemen met eten en drinken en/of de beginnende communicatie. Deze behandelingen mogen alleen gegeven worden door logopedisten die hiervoor een aanvullende nascholing hebben gedaan en er speciaal voor zijn gecertificeerd en geregistreerd bij de beroepsvereniging van logopedisten (NVLF).
Doel van de behandeling is het oefenen van de spieren van de mond van het kind, zodat het eten en drinken verbetert en het maken van klanken wordt gestimuleerd. Tijdens de behandeling vormen de begeleiding en advisering van de ouders een belangrijk onderdeel.

Onderzoek en behandeling kan nodig zijn als uw kind:

  • moeite heeft met het drinken uit de borst of de fles;
  • last heeft van koemelk-eiwit allergie of reflux;
  • problemen heeft met de overgang van borst-naar flesvoeding;
  • problemen heeft met de introductie van vaste voeding;
  • te traag, te snel of te weinig eet en/of drinkt;
  • moeite heeft met het eten van gevarieerde voeding;
  • zich vaak verslikt of veelvuldig kokhalst tijdens het eten en/of drinken;
  • begeleiding nodig heeft bij het afbouwen van sondevoeding;
  • overmatig kwijlt.

Wat doet ons preverbaal team?

Eten en drinken zijn onderdeel van de eerste (primaire) levensbehoeften. De meeste baby’s komen ter wereld met een aangeboren zoek-, zuig-, en slikreflex. Daardoor komt het drinken direct na de geboorte op gang. Soms zijn deze reflexen echter niet of onvoldoende ontwikkeld en ontstaan er eet-en drinkproblemen. Als uw kind eet en/of drinkproblemen heeft, maakt u zich (terecht) zorgen. Als het niet goed gaat en uw kind niet goed groeit of zelfs afvalt, kan dat veel spanning met zich meebrengen. Eten en drinken kunnen dan heel beladen onderwerpen worden. Ouders voelen soms de onmacht om hun kind in de meest fundamentele behoefte te voorzien. Soms ontstaat er zelfs boosheid, omdat het kind niet voldoet aan de verwachtingen. Normaal gesproken is het geven van (borst)voeding een heel intiem moment tussen moeder en kind. Ook het aanbieden van vaste voeding is een moment van contact van de ouder of verzorger met het kind. Als dat contact keer op keer uitdraait op frustratie, is dat heel verdrietig. In dat geval kan behandeling bij Sijtha of Laura, onze preverbaal logopedisten uitkomst bieden!

Informatie vroegverbale logopedie:

Vanaf de geboorte communiceert een kind met zijn omgeving. In het begin is dat op heel eenvoudige wijze: naar elkaar kijken, voelen en ruiken. Ook huilen en lachen zijn manieren om te communiceren. De omgeving van een kind reageert door bijvoorbeeld het kind op te pakken, te troosten of door te zingen of praten tegen het kind. Zo leert een kind al heel vroeg wat communiceren betekent; signalen geven, antwoorden en daar weer op reageren.

Soms verloopt bij jonge kinderen de ontwikkeling van de communicatie niet vanzelf. Een kind kan, om wat voor reden dan ook, moeite hebben met bijvoorbeeld de verschillende manieren van contact maken en communiceren, het begrijpen van de taal en de gesproken woorden en/of het maken van klanken en woorden.

Wat doet ons pre-vroegverbaal team?

 De logopedist zal door middel van onderzoek de problemen in kaart brengen. Dit kan aan de hand van observatieformulieren en tests waarbij gekeken wordt welke communicatieve functies het kind gebruikt en welke nog niet. Daarna zal er een plan gemaakt worden om deze functies te stimuleren. Dat zal dan altijd in spelvorm gaan, waarbij de ouders/verzorgers een belangrijke rol spelen. Zij zullen leeftijdsgerichte methodes aangereikt krijgen om deze met hun kind samen te ontdekken om op die manier de communicatie te bevorderen. Er zijn verschillende methodes die hiervoor gebruikt kunnen worden, zoals het Hanen- programma of communiceren met gebaren.

Ons spraakteam bestaat uit:

  • Sijtha Dunnink – van der Molen
  • Laura Kamphuis
  • Ninja Mooijweer
  • Henrieke Tissingh
  • Kim Vinke
  • Mathilde van Vugt – Lankman

Informatie spraak:

We spreken in zinnen die bestaan uit woorden, lettergrepen en letters. Elke letter heeft zijn eigen klank. Woorden bestaan uit verschillende klanken achter elkaar. Kinderen leren de klanken van hun ouders / opvoeders, door na te doen. Door het verkeerd uitspreken van een letter (of combinaties ervan) krijgen woorden een andere betekenis.

Problemen die met spraak te maken hebben:

  • aangezichtsverlamming
  • afwijkende mondgewoonten en slissen 
  • dysartrie
  • nasaliteitsstoornis
  • verbale apraxie
  • verbale ontwikkelingsdyspraxie
  • vertraagde spraakontwikkeling
  • vloeiendheidstoonis, zoals stotteren

Binnen onze praktijk hebben wij aparte specialisatieteam voor afwijkend mondgedrag/slissen (OMFT team) en vloeiendheidsstoornissen (Stotterteam kind)

In het spraakteam zijn wij gespecialiseerd in:

  • VOD verbale ontwikkelingsdyspraxie
  • nasaliteitsstoornissen 
  • vertraagde spraakontwikkeling
  • problemen in de fonologische ontwikkeling
  • schisis

Verbale ontwikkelingsdyspraxie (VOD)

Soms komt het leren praten niet of moeizaam op gang. Kinderen spreken dan niet of verkeerd. Een mogelijke oorzaak hiervan noemen we een verbale ontwikkelingsdyspraxie. Dit is een spraakstoornis die te maken heeft met de beweging: de mond wil niet op de juiste manier bewegen. Het kind heeft problemen met het programmeren, afstemmen en controleren van de bewegingen die nodig zijn voor het spreken.

Door deze stoornis zijn de klanken soms onherkenbaar of ze komen in het woord op de verkeerde plaats terecht. Het komt voor dat het kind de klank wel in het ene woord kan maken en niet in het andere. Het kan zelfs zo zijn dat een klank of woord niet uitgesproken kan worden, terwijl het op een ander moment wel lukt. Ook andere activiteiten van de mond kunnen problemen geven zoals eten, drinken, blazen en zuigen.

Het niet of slecht spreken leidt tot problemen in de communicatie. Het kind kan namelijk niet of nauwelijks duidelijk maken wat het wil en wordt daarom soms niet begrepen door zijn omgeving. Kinderen met deze problemen hebben deskundige hulp nodig, want het gaat om een stoornis die zich niet vanzelf herstelt.

Wat doet ons spraakteam?

Wij werken nauw samen met andere disciplines om zorg op maat te kunnen bieden en omdat het geïsoleerd voorkomen van een ontwikkelingsstoornis eerder uitzondering is dan regel. Bij een verbale ontwikkelingsdyspraxie maken wij in de behandeling gebruik van het dyspraxieprogramma en PROMPT

Nasaliteitsstoornis

Er is sprake van een nasaliteitsstoornis of neusspraak wanneer de klank (resonantie) van de spraak afwijkend is: de spraak klinkt te veel of juist te weinig door de neus.

Tijdens het spreken worden de meeste klanken door de mond gevormd. Het zachte gehemelte trekt op en daardoor wordt de mondholte aan de achterzijde afgesloten. Zo ontsnapt er geen lucht door de neus. Alleen bij de klanken [m], [n] en [ng] wordt deze afsluiting niet gemaakt, zodat deze klanken door de neus klinken.

Er zijn drie soorten nasaliteitsstoornissen. Allereerst de open neusspraak. Deze is het meest storend voor de verstaanbaarheid. Tijdens het spreken ontsnapt teveel lucht via de neus bij de klanken die normaal alleen met de mond gevormd worden, zoals de [s] en de [p]. De oorzaak van open neusspraak kan een aangeboren lip-, kaak- en/of gehemeltespleet zijn.

Andere oorzaken zijn een aangeboren te kort gehemelte, verlamming van de spieren van het zachte gehemelte (na een hersenbloeding) of verminderde spierkracht in het gehemelte (zoals bij multiple sclerose of de ziekte van Parkinson). Soms is gewoontevorming de oorzaak van de gestoorde nasaliteit, wat kan gebeuren na verwijdering van de neusamandel.

Bij gesloten neusspraak klinkt de spraak verstopt. De oorzaak kan een scheef neustussenschot zijn. Ook kunnen één of meer neuspoliepen, een vergrote neusamandel of gezwollen neusslijmvliezen voor te weinig resonantie door de neus zorgen.Tenslotte kan er een combinatie van beide vormen voorkomen: de gemengde neusspraak.

De KNO-arts stelt de diagnose.

Wat doet ons spraakteam?
De logopedist onderzoekt de ernst van de nasaliteitsstoornis en de invloed daarvan op de verstaanbaarheid. Het resultaat van een logopedische behandeling is afhankelijk van de oorzaak. In sommige gevallen moet eerst medisch of chirurgisch ingegrepen worden, voordat de logopedische behandeling kan beginnen. Ook het succes van de logopedische behandeling is hiervan afhankelijk.

Bij open neusspraak bestaat de behandeling uit oefeningen om de gehemeltespieren te activeren en een energieke uitspraak aan te leren. Bij gesloten neusspraak zal het accent liggen op het beter leren gebruiken van de neusweg. De behandeling van de gemengde neusspraak bestaat uit een combinatie. In alle gevallen wordt op een systematische manier het spraakgedrag veranderd.

Vertraagde spraakontwikkeling

De spraakontwikkeling noem je vertraagd wanneer een jong kind in zijn spraak duidelijk achterblijft bij leeftijdgenootjes. Het kind spreekt (nog) niet of opvallend minder. Hij spreekt in enkele woorden of korte zinnen en zijn omgeving vindt het lastig om het kind te verstaan en te begrijpen. Soms begrijpt het kind niet goed wat er gezegd wordt.

Een vertraagde spraakontwikkeling kan samenhangen met andere stoornissen zoals slechthorendheid of een algehele achterstand. Maar het komt ook voor dat het kind slecht spreekt zonder dat er een duidelijke oorzaak voor gevonden wordt.

Een vertraging in de spraakontwikkeling geeft problemen: het kind wordt door de omgeving niet begrepen en het kan zich niet goed uiten. Dit kan tot gedragsproblemen leiden: het kind wordt opstandig en driftig als het niet begrepen wordt of het gaat zich juist steeds meer terugtrekken. Ook het leren op school kan moeizamer verlopen.

Wat doet ons spraakteam?

De logopedist doet uitgebreid onderzoek naar de taal en de spraak van het kind. Daarbij worden ondermeer gestandaardiseerde testen gebruikt. Verder kan er aanvullend onderzoek en eventueel behandeling door een kinderarts, KNO-arts of een multidisciplinair team of een audiologisch centrum nodig zijn.

De logopedische behandeling is indirect en/of direct. Bij een indirecte therapie legt de logopedist de ouders uit hoe ze het kind tot spreken kunnen stimuleren. Bij de directe logopedische behandeling staat de wisselwerking tussen kind en logopedist centraal. De logopedist traint het taalbegrip en verbetert het luistergedrag; er wordt gewerkt aan de woordenschat, de zinsbouw en de uitspraak. Bij kinderen die nog niet of nauwelijks spreken krijgen de voorwaarden om tot spreken te komen aandacht: het gebruiken van taal voor een bepaald doel, het imiteren van een ander, het oogcontact, het nemen van beurten. De ouders of verzorgers worden zoveel mogelijk bij de behandeling betrokken. In de therapie wordt rekening gehouden met de totale ontwikkeling van het kind, de eventuele bijkomende problemen en de mogelijkheden in het gezin van het kind.

Het resultaat van de behandeling hangt onder andere af van de oorzaak van de vertraagde ontwikkeling. In het algemeen geldt dat een vertraagde spraakontwikkeling goed te behandelen is, zeker als de problemen al op jonge leeftijd onderkend worden. Kinderen kunnen hiervoor al voor hun tweede levensjaar terecht bij de logopedist.

Problemen in de fonologische ontwikkeling

Problemen in de fonologische ontwikkeling uiten zich door articulatiefouten. Er zijn twee soorten articulatiefouten: fonemische/ fonologische articulatiefouten en fonetische articulatiefouten.

Een kind met fonetische articulatieproblemen maakt de goede klank op de verkeerde plek en een kind met fonologische articulatieproblemen heeft moeite met de betekenis van een klank. Hierdoor wordt de algehele articulatie vervormd en kan de spraak minder of onverstaanbaar zijn. Dit kan leiden tot problemen in de communicatie. Daar waar die processen in de spraak van een kind met een normale fonologische ontwikkeling al verdwenen zijn, blijven die bij kinderen met een fonologisch articulatieprobleem bestaan. Het kind heeft zich de klanken van een woord onvoldoende eigengemaakt en heeft ook vaak moeite met het herkennen van de foutieve articulatie bij zichzelf. Het kind kan het wel horen bij een ander als die het woord foutief benoemt maar herkent het niet bij zichzelf. Voorbeelden van fonologische articulatieproblemen zijn:

tok (= sok), tit (= vis), teen (= steen), tat (= kat), fiet (= fiets)

Wat doet ons spraakteam?

Een logopedist onderzoekt de articulatie en stelt daarna de diagnose en maakt een behandelplan. De behandeling wordt opgestart op een speelse manier vaak  startend met auditieve discriminatie. Zodra het discrimineren tussen klanken goed gaat, zal de logopedist doorgaan met het aanleren van de juiste klanken en het leren gebruiken van die klanken in woorden.

Schisis

Schisis is een aangeboren opening in bovenlip, kaak en/of verhemelte. Een kind met schisis ontwikkelt zich normaal, maar zal extra medische zorg en aandacht nodig hebben. De behandeling zal naast heelkundige ingrepen (en afhankelijk van het schisistype) bestaan uit begeleiden door een logopedist van eventuele problemen bij het voeden (minder zuigkracht, terugvloei langs de neus), het gehoor en de spraakontwikkeling. 

Heeft je kind een lip-, kaak- en/of gehemeltespleet, dan is de kans groot dat hij of zij problemen heeft bij de uitspraak van bepaalde klanken. Kinderen die met een schisis zijn geboren, hebben over het algemeen geen problemen in de taalontwikkeling.

Wat doet ons spraakteam?

Onze logopedisten geven voorlichting over de spraakontwikkeling van je kind en ons spraakteam behandelt problemen in de spraak bij schisis op maat gemaakt met functionele oefeningen. Wij werken nauw samen met het schisisteam in Zwolle.

 Ons TOS-team bestaat uit:

  • Laura Kamphuis
  • Henrieke Tissingh
  • Kim Vinke
  • Mathilde van Vugt – Lankman

Informatie TOS

Een taalontwikkelingsstoornis (TOS) is een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis. Dit betekent dat taal in de hersenen minder goed wordt verwerkt. Een kind met TOS heeft bijvoorbeeld grote moeite met praten of het begrijpen van taal. De taal- en spraakontwikkeling verloopt hierdoor anders dan bij leeftijdsgenoten.

Kinderen met een TOS:

  • horen goed;
  • leren hun moedertaal langzaam en moeizaam;
  • hebben een normale intelligentie;
  • kunnen klanken en woorden moeilijk onthouden;
  • hebben moeite met de grammatica;
  • vinden omgaan met emoties lastig;
  • hebben moeite met plannen.

 

Taalachterstand of taalontwikkelingsstoornis?

Een taalachterstand is niet hetzelfde als een taalontwikkelingsstoornis. Een taalachterstand kan ontstaan als een kind zijn moedertaal weinig hoort of spreekt. Door meer taalaanbod, haalt het kind de achterstand vaak weer in. Bij een taalontwikkelingsstoornis is er meer aan de hand. Er is iets mis met het aangeboren vermogen om taal te leren. Het proces van taalontwikkeling verloopt afwijkend doordat de hersenen taal niet optimaal verwerken. Alleen meer aanbod helpt dan niet. Er is een gespecialiseerd behandelaanbod nodig.

Wat doet ons TOS team? 

Ons zorgaanbod voor kinderen en jongeren met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en hun naasten is breed. We werken samen aan de taal- en spraakontwikkeling én het zelfvertrouwen van je kind. Het doel is dat communiceren weer leuk wordt. We zijn er voor je kind, maar ook voor jou en je gezin.

Het is belangrijk dat we kinderen met TOS zo snel mogelijk helpen en de taal- en spraakontwikkeling stimuleren. De taal- en spraakontwikkeling is namelijk het sterkst tot ongeveer het zevende levensjaar

Ons stotterteam kind bestaat uit:

  • Sijtha Dunnink – van der Molen
  • Henrieke Tissingh

Informatie stotteren:

Stotteren wordt opgemerkt als spraak waarbij er veel voorkomende herhalingen of verlengingen van klanken of lettergrepen of woorden of door veel voorkomende aarzelingen of pauzes. Dit komt regelmatig tot vaak voor in het spreken en houdt langdurig aan (langer dan 3 maanden).

Stotteren begint meestal tussen twee en vijf jaar. Dit is de periode dat kinderen meer leren praten en een beperkte onvloeiendheid in deze periode is normaal. Deze onvloeiendheden zijn voor een expert duidelijk te onderscheiden van stotter-niet vloeiendheid. In de aanwezigheid van bepaalde risicofactoren kan vroege aandacht wel belangrijk zijn.

Maakt u zich zorgen en wilt u snel een advies of logopedische behandeling nodig is dan kunt u de Screeningslijst voor stotteren invullen aan de hand van de volgende link

https://www.stotteren.nl/ouders/screeningslijst-voor-stotteren-sls.html

Stotteren komt op volwassen leeftijd meer voor bij jongens of mannen dan bij meisjes en vrouwen. Stotteren kan bij periodes minder hevig zijn of juist heviger. Dit wisselend karakter is grillig maar ook een kenmerk van stotteren.

Tijdens het spreken krijgt iemand constant terugkoppeling over hetgeen gezegd wordt. De voor de spraak verantwoordelijke spieren (tong, lippen, kaakspieren enzovoort) worden door het voor de spraak verantwoordelijke deel van de hersenen (de temporale kwab van de linker hersenhelft) geïnstrueerd om bepaalde bewegingen te maken. Wanneer een spierbeweging fout (dreigt te gaan) gaat vanwege bijvoorbeeld spanning (welke dan ook) wordt dit naar de hersenen teruggekoppeld. Bij een PDS wordt deze terugkoppeling minder adequaat gegeven, waardoor de spieren blijven corrigeren. Dit veroorzaakt stottersymptomen. Het probleem uit zich dus in de afstemming tussen de aansturing vanuit de hersenen en de spieren die voor de spraak verantwoordelijk zijn.

Wat doet ons stotterteam?

De logopedist zal een onderzoek doen naar het stotteren. Zij onderzoekt of er problemen zijn op het gebied van de spraakmotoriek, taalontwikkeling, zijn er emotionele factoren, omgevingsfactoren of combinaties daarvan? Nagegaan wordt hoe het stotteren zich heeft ontwikkeld en in welke fase het stotteren zich bevindt.

Bij het samenstellen van het behandelprogramma zal er rekening mee worden gehouden in welke fase het stotteren zich heeft ontwikkeld. Bij kinderen worden de ouders/ verzorgers of het gezin bij de behandeling betrokken. Bij de behandeling van stotteren bestaat de begeleiding uit indirecte therapie, waarbij de omgeving van het kind adviezen krijgt en wordt begeleid in de communicatie met het kind. Het kind kan ook zelf direct worden behandeld, maar niet zonder medewerking van zijn omgeving. Op basis van de onderzoeksgegevens wordt een behandelplan opgesteld. Het doel is de vaardigheden te veranderen of te verbeteren zodat het spreken vloeiender verloopt. Dit kan door bijvoorbeeld de spraakmotoriek te oefenen, maar ook het aanleren van spreektechnieken of de aanpak van de beleving van het stotteren. Bij meer complexe stotterproblematiek kan verwijzing naar een stottertherapeut zinvol zijn.

Ons meertaligheid team bestaat uit:

  • Mathilde van Vugt – Lankman

Informatie meertaligheid:

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 20% van alle kinderen in Nederland meertalig opgroeit (Burger, Wetering, & Weerdenburg, 2013). 

De meertalige taalontwikkeling kan zowel simultaan als sequentieel voorkomen. Bij een simultane taalverwerving worden meerdere talen vanaf de geboorte aangeleerd en gestimuleerd. Bij een sequentiële taalontwikkeling wordt een volgende taal pas later aangeboden, waardoor de prelinguale en vroeglinguale fase van een normale taalontwikkeling worden overgeslagen (Julien, 2013). 

Bij elk meertalig kind is de verhouding van de aangeleerde talen verschillend. Tijdens de meertalige taalontwikkeling kan taalverschuiving plaatsvinden, een proces waarbij de minderheidstaal geringer wordt gebruikt. Tegelijkertijd is er sprake van taaldominantie (één van de talen wordt meer gebruikt, bijvoorbeeld bij aanvang van bassischool) en taalverlies (beheersing moedertaal neemt af). De verhouding hoe het kind de beheerste talen gebruikt, levert waardevolle informatie op hoe de taalontwikkeling verloopt en of de taalontwikkeling wellicht gestoord is. 

Want ook bij meertalige kinderen kan er sprake zijn van een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Belangrijk om te vermelden is dat meertaligheid nooit de oorzaak is van een taalontwikkelingsstoornis en meertaligheid houdt een taalontwikkelingsstoornis niet in stand (Gerrits, Beers, Bruinsma, & Singer, 2017). 

Als u als ouders/verzorgers het advies krijgen om contact op te nemen met een logopedische praktijk omdat er problemen zijn met de spraak-/taalontwikkeling van uw kind, dan is het goed om te weten dat er in iedere logopedische praktijk alleen vergoedde logopedische behandeling gegeven kan worden als er zich ook een probleem in de ontwikkeling van de eerste taal (bijvoorbeeld het Turks, Arabisch, Papiaments, Pools enz.) voordoet of als er sprake is van communicatienood.

Geeft u als ouder/verzorger aan dat uw kind zich in de eerste taal (de moedertaal) normaal ontwikkelt, dan is dat een contra-indicatie voor (door de zorgverzekeraar vergoede) logopedische behandeling. We spreken dan van een blootstellingsachterstand in het Nederlands. 

Als aangetoond kan worden dat er ook een taalprobleem is in de eerste taal, dan spreekt men van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) bij een meertalig kind. Deze behandeling wordt wél door de zorgverzekeraar vergoed. Om de diagnose TOS te kunnen stellen, is een meertaligheidsonderzoek nodig bij het audiologisch centrum. Wij werken samen met het Audiologisch Centrum van Pento en Kentalis.

Voor meertaligheidsonderzoek is een verwijzing van de huisarts noodzakelijk. Bij Pento en/of Kentalis wordt logopedisch onderzoek in/naar de moedertaal gedaan met behulp van een tolk. Ook kan er aldaar, indien nodig, aanvullend het gehoor en de cognitieve ontwikkeling (intelligentie) onderzocht worden, om de spraak-taalontwikkeling in een breder kader te plaatsen.

Wat doet ons meertaligheid team?

Voorafgaand aan het in kaart brengen van het linguïstisch profiel van een meertalig kind, wordt er eerst altijd een meertaligheidsanamnese worden afgenomen. De informatie die de meertaligheidsanamnese oplevert, bepaalt namelijk welke talen moeten worden onderzocht en hoe deze resultaten geïnterpreteerd kunnen worden. In een meertaligheidsanamnese worden de kwaliteit en kwantiteit van de door uw kind beheerste talen in kaart gebracht en wordt gekeken naar:

  • Taalaanbod kwantiteit: welke talen worden aangeboden, en wat is de kwantiteit? Welke taal wordt thuis gesproken? Welke taak spreken ouders tegen hun kind? Hoeveel jaar heeft het kind al toegang tot de aangeboden talen? Hoe is het taalsituatie binnen en buiten het gezin?
  • Taalaanbod kwaliteit: Hoe goed is de spreekvaardigheid van de ouders in deze taal/talen? Hoe goed spreekt en begrijpt de cliënt de moedertaal en de verworven taal? Welke taal wordt thuis gesproken?
  • Attitude omgeving: wat is de houding van het gezin en de omgeving tegenover de verschillende talen? Wat zijn de wensen van ouders met betrekking tot logopedie? 
  • Attitude kind: wat is de houding van het kind zelf ten opzichte van de talen?
  • Taalvaardigheid kind: hoe goed is de taalvaardigheid van het kind? Heeft het kind aanleg voor taal? Hoe is zijn/haar leerstijl? 

Tijdens het afnemen van de anamnese kan het noodzakelijk zijn om een tolk in te schakelen of dynamisch te testen wanneer de  Nederlandse taal niet voldoende wordt beheerst.

Wij werken nauw samen met audiologische centra en tolken.

Als de logopedische behandeling gestart kan worden, houden wij rekening met taalstrategieën die thuis worden toegepast, wensen van ouders en kinderen en bieden wij directe en indirecte therapie.

Ons sensorische integratieteam bestaat uit:

  • Sijtha van der Molen 
  • Ninja Mooijweer

Informatie sensorische informatieverwerking (SI):

In onze huidige, drukke maatschappij heeft de prikkelverwerking een steeds grotere impact op het functioneren van een kind. Overal om ons heen ervaren we zintuiglijke prikkels waar kinderen mee moeten leren omgaan. Hierbij kunt u denken aan geluid, zicht, reuk, smaak, geur, het voelen en het bewegen. 

Als een kind problemen heeft met de sensorische informatieverwerking (SI) kan een kind niet goed reageren op de zintuiglijke prikkels die binnenkomen. Een goed ontwikkelde prikkelverwerking is een basisvoorwaarde voor allerlei vaardigheden, waaronder leren, spelen, sporten of zindelijkheid.

SI is het vermogen om:

  • zintuiglijke prikkels waar te nemen
  • adequaat te verwerken
  • te verbinden met andere informatie
  • adequaat te reageren op de omgeving
  • het opslaan voor hernieuwd gebruik / leereffect

Een prikkelverwerkingsstoornis:

alle zintuigen worden tegelijkertijd door je lichaam ingezet bij het uitvoeren van activiteiten. Bij kinderen met problemen in de sensorische informatieverwerking worden prikkels anders waargenomen en werken de zintuigen niet goed samen. 

De zintuigen kunnen prikkels onvoldoende registreren of overregisteren. Ook kan het zijn dat de zintuiglijke prikkels verkeerd geselecteerd en met elkaar verbonden worden; een discriminatieprobleem. Een discriminatieprobleem geeft , problemen bij het organiseren, plannen en uitvoeren van bepaalde activiteiten en bewegingen een zogenaamd sensomotorische probleem. Daarnaast spelen alle zintuigen samen een belangrijke rol bij de alertheid, de aandacht , concentratie en bij het waarschuwen voor ‘gevaar’.

Als de zintuigen op de juiste wijze registreren, weet het lichaam dat het ‘veilig’ is om een bepaalde activiteit uit te voeren. Daardoor is het leuk om een activiteit uit te voeren en zal het kind kunnen leren. Als de zintuiglijke signalen te zwak zijn en het lichaam niet waarschuwt voor gevaar kan een handeling onveilig worden. Als de zintuiglijke signalen te sterk zijn zal het kind te snel reageren alsof hij in gevaar is en zal dan iets niet durven of kunnen. Een prikkelverwerkingsprobleem heeft daarom grote invloed op de motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind.

Gevoelig voor prikkels

  • Huilerig
  • Buitenwereld is bedreigend
  • Snel van slag
  • Geeft “schuld” aan anderen
  • Moe, wil niet, eetproblemen
  • Ruzie en vechten
  • Snel afgeleid
  • Shut down (lijkt op gebrekkige registratie)

Prikkels vermijden

  • Trekt zich terug
  • Ruzie / verzet
  • Ik wil het op zijn manier en niet anders
  • Wil voorspelbaarheid
  • Zoekt één prikkel heel sterk op
  • Wil regie houden
  • Overstemt de irriterende prikkels door bijv. zelf veel lawaai te maken, maar beleeft daar geen plezier aan.

Prikkels gebrekkig registreren

  • Vaak moe
  • Neemt weinig of geen initiatief
  • Weinig gebruik lichaamstaal en mimiek
  • Lagere spierspanning
  • Vertraagd – of niet reageren
  • Onhandig, vallen, struikelen, etc.
  • Lijken niet geïnteresseerd
  • Weinig betrokkenheid en interactie
  • Geen vrienden (ondernemen niet)
  • Merken niet op dat ze geroepen worden of dat hun kleding gedraaid zit.

Prikkels opzoeken

  • Druk
  • Onhandig
  • Snel afgeleid
  • Irriteert anderen met het zoekgedrag
  • Verliest zich in een activiteit
  • Kan zich niet richten op een afgesproken taak
  • Luistert niet omdat hij met eigen activiteiten bezig is
  • Gevaarlijk handelen
  • Procesgericht en niet eindgericht

Tast

Kinderen die teveel tastprikkels registreren kunnen erg gevoelig voor aanraking en andere prikkels uit hun omgeving zijn. Deze kinderen vallen de omgeving snel op doordat ze snel geïrriteerd zijn. Onderregistratie van prikkels is vaak minder opvallend, maar is erg beperkend voor het kunnen leren.

Bij onderregistratie van prikkels, wordt het kind onvoldoende gewaarschuwd als het wordt aangeraakt of zelf iets aanraakt. Dit kan leiden tot:

  • Vermijdt aanraking,
  • Negatief reageren op onverwachte en/of lichte aanraking,
  • Verzet zich tegen haren kammen,
  • Houdt niet van vingerverven, lijm,
  • Voorkeur voor bepaalde texturen,
  • Moeilijk doen over kleren, zoals stof of merkjes,
  • Merkt aanraking niet op,
  • Heeft niet in de gaten dat mond of neus vies is,
  • Merkt niet op dat hij iets laat vallen,
  •  Doet huisdieren of vriendjes (onbewust) pijn,
  •  Gaat niet op onderzoek uit bij nieuw speelgoed/ materiaal,
  •  Merkt temperatuursveranderingen niet op,
  •  Weinig reactie bij pijn van wondjes
  •  Gooit dozen leeg en rommelt ermee,
  •  Kauwt op dingen zoals mouwen,
  •  Voelt overal aan (muren, meubels),
  •  Loopt tegen mensen aan,
  •  Mond volproppen
  •  Wentelt zich met overgave in zand en modder

Evenwichtsgevoel/vestibulair

Het evenwichtsorgaan is een fragiel orgaantje dat zich bevindt in het binnenoor. Het levert een belangrijke bijdrage aan het in stand houden van het evenwicht, zowel bij stilstand als bij beweging. Het waarschuwt ons als we dreigen te vallen of te struikelen en zorgt voor een stabiele blik tijdens het bewegen van het hoofd. Bij een prikkelverwerkingsprobleem met betrekking tot het evenwicht durven we niet op ons lichaam te vertrouwen omdat beweging en evenwicht niet goed gevoeld worden. Dit kan leiden tot:

  •  Hekel hebben aan speeltuinactiviteiten, zoals schommelen,
  •  Bang om te vallen,
  •  Houdt de voeten op de grond,
  •  Ongemakkelijk voelen in lift en op roltrappen,
  •  Wordt snel wagenziek,
  •  Merkt het bewegen niet op,
  •  Vangt zijn val slecht op,
  •  Neemt niet gauw zelf het initiatief tot bewegen,
  •  Maar als hij bijvoorbeeld schommelt, kan hij dat lang volhouden zonder duizelig te worden
  •  Wil snelle, draaiende bewegingen,
  •  Wordt niet duizelig,
  •  Kan niet stilzitten,
  •  Hangt op zijn kop,
  •  Waaghals, ziet weinig gevaar

Het gevoel van spieren en gewrichten/ propriocepsis

Het gevoel in onze spieren en gewrichten geeft ons informatie over onze houding en manier van bewegen en waarschuwt voor gevaar waardoor we niet vallen. De propriocepsis (houdingsgevoel) geeft ons de mogelijkheid om te weten hoe ons lichaam zich in de ruimte bevindt. Door een verkeerde balans in de prikkelverwerking merken we onze bewegingen niet voldoende op waardoor we de informatie uit de spieren en gewrichten te weinig gebruiken en het lastiger wordt om dingen te leren en om je te concentreren. Dit kan leiden tot:

  • Botst tegen alles en iedereen
  • Houdt van duwen, trekken, vallen
  • Slaat, schopt en bijt (ook zichzelf)
  • Houdt van omhelzingen
  • Veters en riem moet het liefst zo strak mogelijk zitten
  • Kauwt op kragen, mouwen, touwtjes, potloden
  • Gebrekkig lichaamsbewustzijn
  • Merkt onhandige houding niet op
  • Helpt niet mee met aankleden
  • Lage spierspanning
  • Krampachtige houding van bijvoorbeeld ellebogen en knieën (compenseren lage spierspanning)
  • Beweegt stijf, houterig en ongecoördineerd
  • Vermijdt spelletjes zoals springen, hinkelen
  • Raakt overstuur als iemand anders zijn armen/benen bewegen
  • Moeilijke eter i.v.m. informatie vanuit mondspieren

Gehoor/auditief over- of ondergevoelig

  • Bedekt de oren, klaagt over geluiden, waar anderen geen last van hebben
  • Negeert als hij geroepen wordt, reageert pas op een harde auditieve prikkel
  • Spreekt met luide stem, maakt zelf veel geluiden/lawaai (tikken trommelen) houdt van drukte en actie

Zicht/visus over- of ondergevoelig

  • Lijkt nieuwe dingen niet te zien,
  • Negeert obstakels,
  • Wendt zich niet af van fel zonlicht
  • Zoekt visuele stimulerend materiaal op (licht, kleuren, glitters)
  • Wordt aangetrokken door fel licht en flikkeringen
  • Raakt over zijn toeren bij te veel materialen
  • Bedekt zijn ogen
  • Reageert op fel licht
  • Is alert en op zijn hoede

Reuk

De reuk is een basaal zintuig. Geur staat vaak in verbinding met emoties bv mama, thuis bij oma ruikt het vertrouwd. Ook reuk kan beperkend zijn voor de leefomgeving.

  • Heeft last van geuren die anderen geen probleem vinden (bijv. rijpe bananen)
  • Merkt geuren niet goed op, onbewust van vieze luchtjes, ruikt zijn eten niet goed
  • Ruikt overal aan, zoekt sterke geuren op.

Smaak

  • Kieskeurig voor temperatuur en substantie (velletjes, graten, pitjes…), soms kokhalzen
  • Beperkte smaken of een specifieke voorkeur
  • Kan zonder reactie stevig gekruid eten, eten
  • Een voorkeur voor eten, ongewoon bij kinderen (olijven, knoflooktenen…)
  • Likt aan niet eetbare dingen (verf, klei)
  • Kan een voorkeur hebben voor pittig of erg warm eten
  • Propt tijdens het eten

Elk mens reageert (anders) op prikkels, dit hangt samen met een heleboel invloeden.

  • Type / Profiel
  • Genetische aanleg
  • Ervaringen
  • Cultuur

Maar wanneer is het nou echt een probleem?

Als het dagelijks functioneren wordt belemmerd.

Wanneer het de ontwikkeling en het leren in de weg staat

Zintuiglijke stoornis kan aan de basis liggen van:

  • Gedragsproblemen
  • Motorische problemen
  • Taalproblemen
  • Sociaal-emotionele problemen
  • Een anders verlopende ontwikkeling of stagnatie van de ontwikkeling verwant met trauma- en hechtingsproblematiek

Wat doet ons SI team?

Door een intake, observatie en onderzoek brengen wij het probleem van het kind en de hulpvraag in kaart. Daarna zal er een behandelplan op maat worden opgesteld. Dit alles gebeurt spelenderwijs, want plezier (in leren) voor het kind staat voorop. Ouders/verzorgers en school zullen actief bij het behandeltraject worden betrokken. 

Een gespecialiseerde sensorische informatieverwerkingstherapeut kan het kind en de omgeving (ouders/school) helpen inzicht te geven in wat het kind ervaart en hoe hiermee om te gaan. Er is vaak onbegrip vanuit de omgeving en frustratie bij het kind zelf, want het is geen kwestie van niet willen maar van echt niet kunnen.    

Meer informatie en voorbeelden van Sensorische Informatieverwerkingsproblemen kunt u vinden op de website van de branchevereniging: www.nssi.nl.  

Ons adem- en stemteam bestaat uit:

  •  Ninja Mooijweer
  •  Kim Vinke

Informatie adem en stem:

De stem is het middel om verstaanbaar te communiceren met anderen. Klankkleur, luidheid, toonhoogte spelen mee in hoe uw boodschap overkomt. Wat u zegt kan een andere betekenis krijgen door de manier waarop u de woorden uitspreekt.

Problemen die met adem en stemklachten te maken hebben waarin wij zijn gespecialiseerd:

  • Astma
  • Chronisch hoesten
  • COPD
  • Genderdysfonie
  • Globusgevoel / brok in de keel
  • Hyperventilatie
  • Functionele stemstoornissen
  • Organische stemstoornissen
  • Stemproblemen bij kanker
  • Adem- en stemklachten na Corona

Astma

Astma is een nog ongeneeslijke chronische ontsteking van de luchtwegen. Mensen met astma kunnen soms moeilijk ademhalen: zij worden kortademig, ademen ‘piepend’ of moeten hoesten. De benauwdheid ontstaat doordat de spieren rond de luchtwegen samentrekken, de wand van de luchtwegen opzwelt en de productie van taaislijm toeneemt. Door deze processen worden de luchtwegen verengd.

Astma-aanvallen worden veroorzaakt door pollen, stof, dierenhaar, koude lucht, rook, oplosmiddelen en lichamelijke inspanning. Een belangrijk verschil tussen astma en COPD is dat astmatische patiënten wisselend klachten ervaren. Meestal hebben ze een normale longfunctie, afhankelijk van de ernst van de astma. COPD-patiënten hebben continu een afwijkende longfunctie en klachten zoals kortademigheid. Bij astmapatiënten wordt vaak de uitademing belemmerd.

Astmapatiënten kunnen afhankelijk van de ernst en de frequentie van de astma-aanvallen ademhalingsproblemen, slikproblemen, keelproblemen of stemproblemen hebben. Slikproblemen kunnen voorkomen, doordat een cliënt bijvoorbeeld tijdens het eten door de mond wil ademen. Voorbeelden van keelproblemen zijn keelpijn of een droge keel. Stemproblemen zijn onder andere verkeerd stemgebruik, heesheid, schorheid of een vermoeide stem.

Wat doet ons adem-stemteam?
De logopedist onderzoekt de ademhaling, het stemgebruik, de verstaanbaarheid en eventueel de slikfunctie van de astmapatiënt. Dit gebeurt na verwijzing van een huisarts, longarts of KNO-arts. Daarnaast gaat de logopedist na of de patiënt last heeft van chronisch hoesten of reflux (terugstromen van zure maaginhoud naar de slokdarm).

Na de diagnose stelt de logopedist samen met de patiënt een behandelplan op. De logopedische therapie start met het geven van uitleg over stemgeving, ademhaling, ademregulatie en stemhygiëne. De logopedist kan helpen bij het aanleren van gezond stemgebruik, ademhaling en stemgeving, ademverdeling, verminderen van chronische hoest, waardoor ook de verstaanbaarheid kan toenemen. Ook leert de logopedist de patiënt een gecontroleerde ademhaling te gebruiken tijdens het spreken of tijdens astma-aanvallen. Hierbij werkt de logopedist soms samen met een fysiotherapeut of oefentherapeut Cesar / Mensendieck.

De logopedist geeft adviezen aan cliënten die chronische hoest of reflux hebben, hoe ze deze klachten kunnen verminderen.
Bij slikproblemen zal de logopedist adviezen geven voor veilig eten en drinken. Ook kan een andere manier van eten / drinken (compensatiestrategieën) aangeleerd worden.

Chronisch hoesten

Chronische hoestklachten kunnen zeer belemmerend werken. Hoestbuien ervaart men regelmatig als zeer vervelend en ook sociale gevolgen zijn soms aanzienlijk: mensen durven uit angst voor het storen van anderen bijvoorbeeld niet meer naar het theater, de kerk of andere sociale plekken. Logopedie kan hulp bieden!

De medicamenteuze behandeling van hoesten is bij de meerderheid van de patiënten effectief. Gemiddeld 20% van de patiënten die medicamenteus uitbehandeld zijn en nog persisterende hoestklachten ervaren, worden verwezen naar de logopedist 

Wat doet ons adem-stemteam?

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat logopedische behandeling volgens het SPEICH-C programma effectief is. Wij zorgen er daarom voor dat iedere patiënt met chronische hoestklachten logopedische therapie op maat volgens het SPEICH-C programma aangeboden krijgt vaak in combinatie met manuele facilitatie van het strottenhoofd om hypertonie te verminderen.

COPD

COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) is de verzamelnaam voor een aantal chronische aandoeningen van de luchtwegen, zoals bronchitis en longemfyseem. Bij COPD raken vooral de kleine vertakkingen van de luchtwegen blijvend beschadigd door een voortdurende ontsteking ervan. De voorkomende oorzaken van COPD zijn roken of langdurig werken in een omgeving met veel stofdeeltjes van steen of metaal in de lucht. COPD komt meestal na het 40e levensjaar voor.

Astma vertoont overeenkomsten met COPD. Echter wanneer astmapatiënten klachtenvrij zijn, hebben ze een normale longfunctie en ervaren ze geen beperkingen. Deze aandoening veroorzaakt moeilijkheden bij het ademhalen: de luchtwegen of de vertakkingen van de luchtwegen kunnen vernauwd raken, waardoor vooral de uitademing belemmerd is. In veel gevallen gaat astma gepaard met een allergie (bijvoorbeeld huisstofmijt, huidcellen van dieren, e.d.). Naast plotselinge benauwheidsaanvallen, kunnen hoesten en / of het opgeven van slijm ook voorkomen bij astma.

De luchtwegen van COPD-patiënten reageren sterk op prikkels van buiten zoals huisstof, tabaksrook en temperatuurverschillen. Het ademen lijkt dan niet meer vanzelf te gaan. Er ontstaat kortademigheid door benauwdheid. Elke ademhaling is te horen. Men heeft het gevoel te weinig lucht te krijgen, waardoor spanning en nervositeit optreden. Soms wordt er ook veel gehoest. Infecties en inspanning verergeren deze klachten. De ene patiënt heeft altijd last van de ademproblemen, de ander meer met perioden of in speciale situaties, zoals een astma-aanval als het weer omslaat. Daarnaast komen ook overmatige slijmproductie en chronische hoest voor bij COPD-patiënten. Dit is afhankelijk van soort en mate van COPD.

Ademhalen is op de eerste plaats een levensvoorwaarde, maar ook voor het spreken is adem onmisbaar. COPD-patiënten kunnen dan ook problemen hebben tijdens het praten. Door het ademtekort kunnen maar weinig woorden na elkaar gezegd worden. Er wordt vaak en duidelijk hoorbaar ingeademd, en soms ook op onlogische momenten tijdens het praten. Het spreken is hierdoor moeilijker te verstaan. Door de manier van ademhalen worden de stembanden overbelast en kan heesheid het gevolg zijn. Langer spreken is vermoeiend. Vooral COPD-patiënten met een spreekberoep kunnen veel last hebben van hun stem.

Wat doet ons adem-stemteam?

De logopedische behandeling van COPD-patiënten zal er vooral op gericht zijn op het omgaan met de eigen optimale longinhoud. De patiënt leert de ademverdeling hierop aan te passen in diverse situaties. De logopedist leert de COPD-patiënt een ontspannen gebruik van adem-/ stemkoppeling. Inzicht in het eigen adempatroon leert de patiënt wat hij moet doen bij dreigende of plotselinge benauwdheid. Hierdoor zal de aanval niet onnodig verlengd worden en zal er geen paniek ontstaan.

Door de spanning en de kortademigheid is de COPD-patiënt vaak in een minder gunstig adempatroon terecht gekomen. Ontspannings- en houdingsoefeningen zijn daarom belangrijk. Hierbij is het wel van belang dat de logopedist samenwerkt met de fysiotherapeut of oefentherapeut, longverpleegkundige en longarts voor een optimale behandeling.

Het vergroten van de spierkracht van de ademhalingsspieren kan ook door logopedist meegenomen worden in de behandeling, waardoor de COPD-patiënt meer hoestkracht heeft en met minder moeite kan spreken. Stemoefeningen en ademoefeningen zorgen er ten slotte voor dat het spreken minder moeite kost.
Echter, de logopedist kan dit met behulp van logopedische therapie rondom stemgeving en articulatie nog verder laten toenemen. Verder kan de logopedist communicatieadviezen geven aan de patiënt en zijn omgeving om de communicatie te optimaliseren. Bij vergevorderde COPD kan door de logopedist ondersteunende communicatie ingezet worden.

De logopedist kan helpen bij het verminderen van en omgaan met chronisch hoesten en reflux. Bij gevorderde COPD krijgen steeds meer COPD-patiënten slikproblemen. De logopedist kan dan onderzoek, behandeling, begeleiding en adviezen bieden bij problemen bij eten en drinken.

Genderdysfonie

Genderdysfonie is een stemstoornis die voorkomt bij transseksuelen. De klacht die zij hebben is dat de stem niet in overeenstemming is met de veranderde sekserol. Bij genderdysfonie is de stemvorming (fonatie) op zich  dus niet gestoord, zoals bijvoorbeeld bij heesheid of schorheid het geval is. Het stemprobleem van man-naar-vrouw transseksuelen, hier verder aangeduid als transvrouwen is in het algemeen groter dan dat van vrouw-naar-man transseksuelen (transmannen). De stem is vaak te laag en de manier van spreken te mannelijk waardoor de transvrouw als man wordt aangesproken.

Transmannen hebben minder vaak klachten over hun stem, aangezien deze door de hormoonbehandeling daalt. Toch komen bij deze groep ook stemproblemen voor, zoals problemen m.b.t. het stembereik of een instabiele, gespannen stem met stemvermoeidheid. Daarnaast kan een gebrek aan borstresonans er voor zorgen dat de stem niet overeenkomt met het mannelijk voorkomen.

Wat doet ons adem-stemteam?

De logopedist bepaalt het frequentiebereik, de gemiddelde stemfrequentie en de dynamiek van de stem. Ook wordt door de logopedist het gebruik van resonantie, articulatie, intonatie, luidheid, spiergebruik, adem- en stemkwaliteit beoordeeld, terwijl de cliënt een tekst voorleest en/of iets vertelt. Daarnaast worden de non-verbale aspecten, zoals mimiek en gebruik van gebaren geobserveerd. Op basis van de foniatrische en logopedische gegevens wordt een plan opgesteld voor de logopedische behandeling.
Het doel van de logopedische behandeling bij transvrouwen is het aanpassen van het spreekgedrag aan de vrouwelijke geslachtsrol. Hierbij wordt rekening gehouden met het postuur en karakter van de cliënt en met haar leefomgeving.

Tijdens de logopedische behandeling zal niet in eerste instantie gewerkt worden aan het verhogen van de spreekstem, omdat daarmee vaak een kunstmatig effect verkregen wordt.
Primair wordt gewerkt aan de volgende aspecten, waardoor de stem een lichter, vrouwelijker karakter krijgt:

Het verminderen van de borstresonans en het stimuleren van het gebruik van kopresonans;

  • Bevorderen van een levendig en vrouwelijk intonatiepatroon;
  • Stimuleren van een pittige, lichte articulatie;
  • Aanpassen van het spreekvolume en –tempo;
  • Bevorderen van vrouwelijk gedrag, o.a. mimiek, gebaren, lachen en hoesten.

Deze therapiedoelen zijn uitgewerkt in een behandelprogramma, dat op de polikliniek KNO/foniatrie/logopedie van het VUmc is ontwikkeld en dat bij een verwijzing naar de behandelend logopedist wordt gestuurd.
Een dergelijk programma bestaat voor transmannen nog niet, terwijl uit onderzoek blijkt  dat er wel behoefte aan is.

Kim is gespecialiseerd in genderdysfonie

Globusgevoel / brok in de keel

Bij het globusgevoel (globus nervosus) heb je het gevoel dat je een brok in je keel hebt, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Het kan zich zelfs zo erg uiten dat je denkt moeite te hebben met ademhalen. Ook kan het slikken bemoeilijkt worden, waardoor je tegenzin krijgt om te eten. Heesheid en de kriebelhoest kunnen samengaan met globusklachten, maar het hoeft niet. 

Globusklachten kunnen verschillende oorzaken hebben. Veelvoorkomende oorzaken zijn:

  • Abnormale spieractiviteit of gevoeligheid van de slokdarm.
  • Pyschische oorzaak: het uitdrogen van de keel door stressangst, verdriet, woede of een andere sterke emotie.
  • Herhaald slikken of door een versnelde ademhaling. 
  • Verkeerd stemgebruik. 
  • Overmatig kuchen en keelschrapen. 

Wanneer het gevoel langzaam begint, constant aanwezig is en in de loop van de tijd steeds erger wordt, kan er een andere oorzaak aan ten grondslag liggen. Hierbij kan gedacht worden aan een ziekteproces in de keel of de maag, waarbij het doorslikken van voedsel en later ook gewichtsverlies tot de symptomen behoren. Belangrijk is, dat je beseft dat het globusgevoel meestal een kortstondige reactie is op spanning, emotie of boosheid en het slechts in zeldzame gevallen ernstig is.

Wat doet ons adem-stemteam?

Naast de traditionele adem- en stemtechnieken zijn wij getraind in het masseren en manipuleren van het strottenhoofd, de larynx. Dit wordt ook wel manuele facilitatie genoemd. Hierdoor ontstaat er een betere balans in het hele gebied rondom de larynx. Dit geeft veelal een betere ontspanning. De resultaten zijn soms ronduit verbluffend. Bijzondere goede resultaten hebben wij behaald bij o.a. professionele vocalisten als zangers, sprekers, leraren en onderwijzers.

Met de larynx manipulatie/facilitatie techniek wordt een trage rekking of stretching van de spieren bedoeld, waardoor de spieren van de hals, nek, kaak en mondbodem, ontspannen worden. Manuele facilitatie is er op gericht de spieren in en rondom de larynx ontspannen en mobieler te maken. Bij diagnostiek krijgt men inzicht in de relatie tussen de houding van de cliënt en de spierspanning op larynx-niveau.

Hyperventilatie

Hyperventilatie is een manier van ademhalen waarbij adem en lichamelijke activiteit niet goed op elkaar zijn afgestemd. Meestal wordt er te snel of te diep geademd, waardoor extra koolzuur (CO2) wordt uitgeademd. Het gevolg is dat het koolzuurgehalte in het bloed daalt en er een verandering in de zuurgraad van het bloed optreedt.

Hyperventilatie kan verschillende gevolgen hebben. Symptomen die vaak genoemd worden zijn duizeligheid, tintelingen, ademnood en hartkloppingen. Meestal ervaart men deze symptomen als zeer beangstigend. Hyperventilatie kan optreden als een plotselinge aanval (acute vorm) en als een vrijwel constante manier van ademen (chronische vorm).

Hyperventilatie kan zowel bij kinderen als bij volwassenen optreden en komt voor bij vrouwen en mannen.

Hyperventilatie hangt vaak samen met spanningen. Soms is een duidelijk aanwijsbare oorzaak aanwezig zoals een verkeersongeval of het overlijden van een naaste. Vaak echter is er sprake van gevoelens van onzekerheid en angst en het niet op een effectieve manier omgaan met de eisen die het leven stelt. Hyperventileren kan ook uitsluitend een verkeerde ademgewoonte zijn, die vaak voorkomt in combinatie met voortdurend door de mond ademen. Ten slotte kunnen hyperventilatieklachten optreden als er te snel en vrijwel zonder pauzes gesproken wordt.

Wat doet ons adem-stemteam?
De logopedist overziet bij onderzoek, diagnosestelling en behandeling alle voorwaarden voor het spreken. Zij is daarom goed in staat mensen met hyperventilatieklachten te behandelen. Samen met de patiënt wordt de afwijkende wijze van ademen en alles wat daarmee in verband staat in kaart gebracht en behandeld.

Tijdens de behandeling krijgt de patiënt inzicht in de problemen die met hyperventilatieklachten samenhangen en leert deze oplossen. Er wordt een functioneel en evenwichtig adempatroon in rust, tijdens spreken en andere lichamelijke inspanning aangeleerd, en men leert een aanval van hyperventilatie af te breken. Algemene ontspanningsoefeningen maken deel uit van de behandeling.

Functionele stemstoornissen

Bij een functionele stemstoornis zijn er geen afwijkingen aan het stemapparaat zelf. Een KNo-arts kan dit beoordelen. 

Als men in het dagelijks leven de stem intensief moet gebruiken bij spreken en zingen, kan dit keelpijn en stemklachten tot gevolg hebben. Intensief stemgebruik vermoeit de keel en het fijne weefsel van de stembanden. Die vermoeidheid kan zich over het hele lichaam uitbreiden, zodat men zich aan het einde van de dag soms doodop voelt. Er kan een gevoel bestaan van een slijmpropje of kriebel in de keel dat niet weggeslikt kan worden. De keel kan branderig, pijnlijk of dichtgesnoerd aanvoelen en is geïrriteerd. Deze klachten kunnen ook voorkomen bij veelvuldig keelschrapen en kuchen.

Iedereen kan deze keelklachten krijgen, bijvoorbeeld na een feest of tijdens een verkoudheid. Ze zijn dan van voorbijgaande aard. Als echter keelpijn na intensief stemgebruik regelmatig blijft voorkomen, kan men daarvan zoveel hinder ondervinden, dat de zin om te spreken afneemt. Bovendien kunnen personen met een spreekberoep op den duur stemklachten ontwikkelen. De stem wordt hees of schor, valt weg en kan niet meer zo gebruikt worden als men wilt. Vaak ontstaat dit omdat er niet de juiste verhouding is tussen stembelasting en stemrust; de stem heeft onvoldoende tijd om te herstellen. Naast mensen met een spreekberoep kunnen ook bijvoorbeeld studenten en zangers last krijgen van stemproblemen.

Keelklachten en stemklachten bij intensief stemgebruik kunnen wijzen op een verkeerd gebruik van de stem. De KNO-arts zal, indien nodig,een eventuele organische oorzaak, zoals een poliepje of stembandknobbeltjes, uitsluiten.

Wat doet ons adem-stemteam?

De logopedist verricht (stem)onderzoek, stelt de logopedische diagnose en maakt een behandelplan. In de behandeling let ze op de lichaamshouding als voorwaarde voor een goed gebruik van de stem. Er zal gewerkt worden aan de ademhaling (adembeweging en ademritme) en aan een ontspannen manier van stemgeven. De logopedist beschikt hierbij over verschillende technieken en oefeningen.

Ook wordt bekeken hoe het stemgebruik van de patiënt in het dagelijks leven is, om advies op maat te kunnen geven. Stemsparende adviezen, ook wel stemhygiënische adviezen genoemd, zullen gegeven worden. Daarbij besteedt de logopedist ook aandacht aan arbeidsomstandigheden als akoestiek en omgevingslawaai. 

Organische stemstoornissen

Organische stemstoornissen zijn onder te verdelen in:
– Primair organische stemstoornissen door uiteenlopende inwendige en uitwendige oorzaken (bv.endocriene veranderingen, larynxtumor, stembandparalyse)
– Secundair organische stemstoornissen door weefselstructuurveranderingen t.g.v. verkeerd stemgebruik, overbelasting of stemmisbruik. (bv. stembandknobbels, stembandoedeem, chronische hyperplastische laryngitis)

Wat doet ons adem-stemteam?

Bij vermoedens van een organische stemstoonis verwijzen wij eerst door naar KNO-arts. Nadat KNO-onderzoek, laryngovideostroboscopie (beeldvorming van de stembanden) en een klinisch stemonderzoek door de logopedist (perceptuele beoordeling, fonetogram, akoestische en aërodynamische metingen) om de stemfuncties in kaart te brengen heeft plaatsgevonden behandelen wij op basis van de gestelde diagnose.

De logopedische behandeling is erop gericht om de stemkwaliteit te verbeteren door oefeningen en zo de belasting van het stemapparaat te vrijwaren.

Stemproblemen bij kanker

Strottenhoofdkanker is een van de vele verschillende vormen van kanker. Het is een kwaadaardig gezwel (tumor) in het strottenhoofd. Hoe deze vorm van kanker precies ontstaat, is onbekend. Wel is het zo dat roken – vooral het inhaleren van rook van sigaretten en sigaren – en alcoholgebruik de kans op deze vorm van kanker vergroten. Strottenhoofdkanker komt meer bij mannen dan bij vrouwen voor.

De eerste klachten die optreden zijn afhankelijk van de plaats van de afwijking. Bij een tumor die begint bij de stembanden zal heesheid optreden. Deze heesheid is eerst wisselend, maar wordt steeds erger. Vaak klinkt de stem ook schor. Dit heeft te maken met de verschillen in massa tussen de stemplooien door de (mogelijke groei van de) tumor.Hoe eerder de tumor ontdekt wordt, hoe minder schade er kan ontstaan. Bij aanhoudende heesheid of vage slikklachten is het daarom raadzaam naar de huisarts te gaan.

Door middel van een kijkoperatie (onder narcose), waarbij een stukje weefsel wordt weggenomen voor onderzoek, kan strottenhoofdkanker vastgesteld worden. Vervolgens zijn er verschillende behandelmethoden. Vaak komen ze in combinatie voor. De meest toegepaste behandelingen zijn:

  • een bestralingskuur (radiotherapie)
  • een operatie; meestal wordt een deel van de stemplooien of een stemplooi geheel weggehaald, soms moet het gehele strottenhoofd worden verwijderd
  • een behandeling met medicijnen (chemotherapie).

Wat doet ons adem-stemteam?

Via de huisarts of medisch specialist, bijvoorbeeld KNO-arts of radioloog, wordt de patiënt naar een logopedist verwezen. Er zal onderzoek gedaan worden naar de resterende mogelijkheden met betrekking tot het stemgebruik. 

Wanneer een kleine stemplooioperatie of een bestralingskuur heeft plaatsgevonden, kan de logopedist leren de resterende mogelijkheden te benutten en met eventueel verlittekende stemplooien weer te leren spreken. 

In de behandeling zal aandacht gegeven worden aan lichaamshouding, een voorwaarde voor goed stemgebruik. Er zal gewerkt worden aan het ademen en aan een economische manier van stemgeven. Omdat er na bestraling veel verandert in het weefsel, geeft de logopedist ook adviezen over het slikken, een droge mond, en / of een veranderd gevoel in de mond. 

Na verwijdering van het gehele strottenhoofd, de zogenaamde laryngectomie, moet de patiënt op een andere manier leren spreken. Met het strottenhoofd zijn immers ook de stemplooien verwijderd. Ninja is gespecialiseerd in het weer leren spreken na een totale laryngectomie.

Adem- en stemklachten na Corona

Als gevolg van het Coronavirus kunnen stemklachten ontstaan. Dat kan omdat de conditie een klap heeft gehad meer de stembanden kunnen ook behoorlijk verslechterd zijn door weinig praten, veel hoesten en als er intubatie heeft plaatsgevonden. 

In de eerste fase zal de nadruk op herstel liggen met name van de longen middels longfysiotherapie.

 Als na 6 weken de stem nog slecht is, kan logopedie zinvol zijn. De stem is net een normale spier die ook weer getraind moet worden. Vaak zien wij dat mensen die weinig conditie hebben en lichamelijk zwakker zijn meer gaan persen en minder goed gaan articuleren. 

Stemklachten door corona kunnen ontstaan door:

  • Schade aan stembanden door beademingstube 
  • Stembanden zijn ontstoken of geïrriteerd door de luchtweginfectie
  • Lang en flink hoesten zorgt voor overbelaste of geprikkelde stembanden
  • Algehele zwakte waardoor stem zwakker klinkt
  • Adem verloopt anders door benauwdheid
  • Angst en spanning

Welke stemklachten zien wij door Corona: 

  • Stem helemaal kwijt
  • Zachte stem
  • Schor of hees
  • Vermoeid om te spreken
  • Pijnlijk om te spreken
  • Buiten adem van spreken

Wat doet ons adem-stemteam?

Wij geven tips en verminderen als dat nodig is hypertonie in het larynxgebied. Ook trainen wij het economisch inzetten van de adem bij het spreken.

Ons OMFT team bestaat uit:

  • Marieke Fijn -Gosen
  • Jillian Padberg
  • Laura Kamphuis
  • Henrieke Tissingh
  • Kim Vinke

Informatie Oro-myofunctionele therapie (OMFT)

De vormgeving van de mond en de stand van de tanden en kiezen worden voor een groot deel bepaald door de functie van de spieren in en om de mond.  Afwijkende mondgewoonten kunnen het evenwicht tussen die spieren onderling verstoren. Denk aan foutieve slikgewoonten, mondademen, duimen, vingerzuigen, lispelen of slissen.

Oro-myofunctionele therapie (OMFT) is een oefentherapie die gericht is op het herstellen van een verstoord evenwicht in het functioneren van de spieren in en om de mond.

‘Normaal gesproken’ is er een functioneel evenwicht tussen de werking van de verschillende spieren in en rond de mond. De kauwspieren, de tong, de lippen, de kinspieren etc., oefenen ieder functionele krachten uit op het gebit. Als bepaalde spieren of spiergroepen niet goed functioneren, heeft dit vrijwel altijd een direct gevolg voor de vorm van het gebit en/of de kaken. Vaak is dan ook de spraak gestoord. Veelal is er gestoorde groei van de naso-pharyngeale ruimte met als mogelijk gevolg Pediatrische slaapstoornissen of zelfs hypopneu of apnoe.

Indien uitsluitend de spraak gestoord zou zijn, kan de klassieke logopedie uitkomst bieden. Maar als de kaken, de tanden en kiezen, neusholte en/of het kaakgewricht bij het probleem betrokken zijn, kan alleen een OMFT gespecialiseerde logopedist blijvend resultaat bewerkstelligen.

De oro-myofunctionele therapie is erop gericht alle mondspieren weer in evenwicht te brengen door gerichte oefeningen te geven en foutieve gewoonten af te leren. De therapie pakt daarmee de oorzaak aan van één of meerdere problemen en niet alleen de gevolgen van het verkeerde evenwicht. Door deze aanpak is de kans op een relaps bij andere therapieën, zoals logopedische articulatie-behandeling, orthodontie of chirurgische kaakcorrectie veel minder.

 Indicatiegebieden

In zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat afwijkend mondgedrag veel tandheelkundige, orthodontische en logopedische afwijkingen kan veroorzaken. Het gaat dan bijvoorbeeld om een afwijkend slikpatroon, mondademen, zuigen of bijten. Het vroegtijdig herkennen en afleren van dit afwijkend gedrag kan veel ellende later besparen.

Afwijkende slikpatronen

Een afwijkende functie van de tong heeft grote gevolgen voor het vermalen van het voedsel, het vormen van een goede voedselbrok en het slikken. Afwijkend slikgedrag gaat meestal met tongpersen gepaard, naar voren of opzij. Dat heeft vrijwel altijd gevolgen voor de stand van de tanden of kiezen en de vorm van de kaak: op de plaats waar de tong naar buiten komt een open beet, de tanden raken elkaar niet:

Bij lispelen wordt de tong geheel of gedeeltelijk tussen de voortanden geperst; hier vallen de voortanden vaak niet over elkaar heen.

Bij slissen ontstaan de klanken aan de zijkant in de mond (bij de kleine kiezen); hier zien we vaak een zijdelingse open beet.

Dergelijke open beten kunnen met orthodontische behandeling gesloten worden en de tanden komen weer mooi in de rij te staan. Maar vaak (in 26 – 38 % van de gevallen) zien we na verloop van tijd weer een open  beet ontstaan, omdat verzuimd is de oorzaak van de open beet, in dit geval een verkeerde tongpositie, weg te halen.

Duim- vinger- of speenzuigen / nagelbijten

Het is algemeen bekend dat te vaak of te intensief duim- of vingerzuigen (ook bij volwassenen!) leidt tot een afwijkende stand van tanden en/of kaken. Dat geldt ook voor tong- en lipzuigen of een te lang of te intensief gesabbel op een speen.

Bijtgewoonten (bijv. vinger-, nagel- of lipbijten, of klemmen, knarsen e.d.) kunnen schadelijke invloed hebben op het kaakgewricht, waardoor spieren overbelast worden. Andere spiergroepen in de mond zullen daar ook nadelige gevolgen van kunnen ondervinden.

Mondademen

De functie van de neus bestaat onder andere uit het bevochtigen, verwarmen en reinigen van de ingeademde lucht. Bij mondademen vervalt deze gunstige eigenschap. Het gevolg kan zijn terugkerende infecties in de keel, van amandelen of (frequent) terugkerende middenoorontstekingen.

Vaak zien we bij mondademen dat de voortanden naar voren gaan staan, ten gevolge van het wegvallen van de druk van de lippen op de tanden. Tevens komt een smal verhemelte voor en in meer of mindere mate kwijlen.

Wat doet ons OMFT team?

Diverse afwijkingen kunnen een verstoring veroorzaken van het evenwicht tussen de mondspieren onderling (lippen, kauwspieren, tong en tongspieren). De vorm van de kaken en de stand van de tanden en kiezen zullen zich aan dit verkeerde evenwicht aanpassen. Met andere woorden:

de verkeerde functie van de spieren geeft een verkeerde vorm van de kaken.

Willen we dus de vorm van de kaken veranderen, dan zullen we moeten beginnen met het veranderen van de functie van de betrokken spiergroepen. Dit heet myofunctionele therapie.

‘’Ontzettend fijn en goed geholpen’’

Wij zijn ontzettend fijn en goed geholpen met het oefenen van letterklanken. De logopedist is erg duidelijk in uitleg en op liefdevolle manier wordt er geoefend. Ook in de periode van corona is de therapie via beeldbellen goed voortgezet en het was fijn om op deze manier verder te kunnen gaan.

Grienanda